ECLI:NL:RVS:2014:3592
Raad van State
- Herziening
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak inzake vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling na onrechtmatige strafrechtelijke detentie
Verzoeker heeft bij de Raad van State verzocht om herziening van een uitspraak van 15 juli 2014 waarin zijn hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag ongegrond werd verklaard. Hij stelde dat op grond van een kortgedingvonnis van de rechtbank Limburg was komen vast te staan dat hij onrechtmatig in strafrechtelijke detentie had gezeten op 24 en 25 mei 2014.
Verzoeker betoogde dat dit zou moeten leiden tot een nieuwe beoordeling van de rechtmatigheid van zijn vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling, waarbij de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. De Afdeling overwoog echter dat alleen wanneer een bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de bevoegdheden die aan de vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling ten grondslag liggen heeft vastgesteld, dit gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van die inbewaringstelling.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris de in het Vreemdelingenbesluit 2000 genoemde omstandigheden terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, en dat verzoeker sinds 2002 in Nederland verblijft en niet vrijwillig zal vertrekken. De voorafgaande onrechtmatige strafrechtelijke detentie zou, zelfs indien bekend geweest, niet tot een andere uitspraak hebben geleid. Daarom werd het verzoek om herziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak wordt afgewezen omdat de onrechtmatige strafrechtelijke detentie niet leidt tot een andere beoordeling van de vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling.