Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2014:3430

Raad van State

Datum uitspraak
17 september 2014
Publicatiedatum
17 september 2014
Zaaknummer
201400225/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 GrondwetAlgemene wet bestuursrechtMonumentenwet 1988
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanwijzing Mariakerk als gemeentelijk monument ondanks bezwaren parochie

Het college van burgemeester en wethouders van Breda heeft op 10 juni 2011 de Mariakerk aan het Mariaplein 2 te Breda aangewezen als gemeentelijk monument. De parochie, eigenaar van het kerkgebouw, maakte bezwaar tegen deze aanwijzing, dat door het college op 21 december 2011 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de parochie beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 21 november 2013 het beroep ongegrond verklaarde.

De parochie stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de aanwijzing ertoe leidt dat zij bij wijzigingen in de inrichting van het kerkgebouw voor de eredienst een monumentenvergunning moet aanvragen, wat volgens haar in strijd is met het recht op het vrij belijden van godsdienst zoals neergelegd in artikel 6 van Pro de Grondwet. Tijdens de zitting verklaarde het college dat de inrichting van de kerk niet in de monumentomschrijving is opgenomen en dus niet onder de aanwijzing valt.

De Raad van State oordeelde dat het betoog van de parochie feitelijke grondslag mist, omdat de inrichting vrij gewijzigd kan worden zonder vergunning. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de parochie wordt ongegrond verklaard en de aanwijzing van de Mariakerk als gemeentelijk monument wordt bevestigd.

Uitspraak

201400225/1/A2.
Datum uitspraak: 17 september 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Roomskatholieke Jeruzalemparochie (hierna: de parochie), gevestigd te Breda,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2013 in zaak nr. 12/7541 in het geding tussen:
de parochie
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het college het aan de parochie in eigendom toebehorende object Mariaplein 2 te Breda, zijnde de Mariakerk, aangewezen als gemeentelijk monument.
Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college het door de parochie daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de rechtbank het door de parochie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de parochie hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2014, waar de parochie, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de Mariakerk monumentwaardig is. Het geschil spitst zich toe op het betoog van de parochie dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de aanwijzing ertoe leidt dat de parochie, in geval zij zou besluiten de inrichting van het kerkgebouw ten behoeve van de eredienst te wijzigen, verplicht is daarvoor bij het college een zogenoemde monumentenvergunning aan te vragen. Deze inmenging van het college is volgens de parochie in strijd met het recht op het vrij belijden van de godsdienst, neergelegd in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet.
Ter zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat de inrichting van de Mariakerk niet in de redengevende omschrijving is opgenomen en daardoor niet onder de aanwijzing valt. Daaruit vloeit voort dat het de parochie vrijstaat de inrichting van het kerkgebouw ten behoeve van de eredienst te wijzigen, zodat het betoog feitelijke grondslag mist.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Altena w.g. Dallinga
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014
18-799.