ECLI:NL:RVS:2014:3326

Raad van State

Datum uitspraak
27 augustus 2014
Publicatiedatum
3 september 2014
Zaaknummer
201405038/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 56 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging verblijfverplichting vreemdeling

De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het besluit van 28 januari 2014 waarbij de staatssecretaris de aan hem opgelegde verplichting om vanaf 23 mei 2012 in de gemeente Venlo te verblijven, beëindigde. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het zich volgens haar richtte tegen het beëindigen van de opvang.

De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte buiten de grenzen van het geschil was getreden door zijn beroep te kwalificeren als gericht tegen de beëindiging van de opvang, terwijl het zich richtte tegen het besluit tot beëindiging van de maatregel krachtens artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling overwoog dat de maatregel op grond van artikel 56 Vw Pro 2000 zelf geen grond biedt voor opvang en dat de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot beëindiging van deze maatregel. Daarom was het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het op onjuiste gronden.

Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot beëindiging van de verblijfverplichting is terecht niet-ontvankelijk verklaard en deze uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

201405038/1/V3.
Datum uitspraak: 27 augustus 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 mei 2014 in zaak nr. 14/2919 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling opgelegde verplichting om met ingang van 23 mei 2012 te verblijven in de gemeente Venlo beëindigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt onder meer dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft ten onrechte overwogen dat zijn beroep zich richtte tegen het beëindigen van de opvang en had moeten toetsen of het besluit waarbij de maatregel krachtens artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is beëindigd, rechtmatig is, aldus de vreemdeling.
1.1. Het beroep van de vreemdeling richtte zich tegen het besluit van 28 januari 2014 waarbij de maatregel krachtens artikel 56 van Pro de Vw 2000 is beëindigd. Door te overwegen dat het ervoor moet worden gehouden dat het beroep van de vreemdeling zich richtte tegen het beëindigen van de opvang, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geschil getreden.
De klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het ermee beoogde doel, gelet op het volgende.
1.2. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 28 december 2012 in zaak nr. 201207142/1/V1 biedt de krachtens artikel 56 van Pro de Vw 2000 opgelegde maatregel geen grond voor de aan de vreemdeling geboden opvang. Het betoog van de vreemdeling dat hij belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit waarbij de maatregel krachtens artikel 56 van Pro de Vw 2000 is beëindigd, omdat die maatregel tot gevolg heeft gehad dat hem opvang werd geboden, kan derhalve niet worden gevolgd. Nu de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 28 januari 2014, heeft de rechtbank dit beroep terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard.
De grief faalt.
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Van Gemert
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014
699.