ECLI:NL:RVS:2014:3310
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling toegangsweigering Nederland en toetsing hoger beroep bestuursrecht
De vreemdeling werd bij besluit van 2 november 2011 de toegang tot Nederland geweigerd. Na een administratief beroep dat ongegrond werd verklaard, stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, dat eveneens werd afgewezen. In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de toegangsweigering rechtmatig was op basis van een eerdere uitspraak over een vrijheidsontnemende maatregel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank onterecht had aangenomen dat het oordeel over de vrijheidsontnemende maatregel ook de rechtmatigheid van de toegangsweigering omvatte. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en toetste het besluit van 29 januari 2012 opnieuw.
De vreemdeling voerde aan dat hij onterecht de toegang was geweigerd omdat hij vrijwillig was teruggekeerd en dat de staatssecretaris hem had moeten toelaten, mede op grond van Europese richtlijnen en internationale afspraken. De Afdeling stelde vast dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hem de toegang tot Somalië was geweigerd en dat hij niet vrijwillig naar Nederland was teruggekeerd.
Gezien het ontbreken van bewijs en de omstandigheden was de toegangsweigering rechtmatig. Ook was het niet onjuist dat de vreemdeling niet is gehoord bij het administratief beroep omdat dit kennelijk ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De toegangsweigering van de vreemdeling is rechtmatig verklaard en het beroep ongegrond verklaard.