ECLI:NL:RVS:2014:3253

Raad van State

Datum uitspraak
18 augustus 2014
Publicatiedatum
27 augustus 2014
Zaaknummer
201404520/2/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen

De vennootschap onder firma heeft bij besluit van 10 april 2013 een boete van € 8.000,00 opgelegd gekregen wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Nadat bezwaar en beroep bij de rechtbank ongegrond werden verklaard, is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.

De vennootschap verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de rechtsgevolgen van het boetebesluit zouden worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist. Zij stelde dat zij de boete niet kon betalen en wees op een aanmaning met een betalingstermijn tot 26 juli 2014.

De voorzitter oordeelde dat de vennootschap geen actuele financiële gegevens had overgelegd waaruit een financiële noodsituatie bleek indien de boete niet werd opgeschort. Uit de aanmaning, bankafschriften, facturen en betalingsregelingen bleek dit evenmin. Hierdoor was het spoedeisend belang niet aangetoond en werd het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting van de boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

201404520/2/V6.
Datum uitspraak: 18 augustus 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de vennootschap onder firma [verzoekster], gevestigd te [plaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2014 in zaak nr. 13/4908 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2013 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij besluit van 9 augustus 2013 heeft de minister het daartegen door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoekster] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. [verzoekster] heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 augustus 2014, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [vennoot], bijgestaan door mr. R.J. van Rijn, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Foppen en mr. P. Farahani, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist. [verzoekster] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij de boete niet kan betalen. In dit verband wijst zij op een aanmaning tot betaling van de boete, waaruit blijkt dat zij deze vóór 26 juli 2014 moet hebben betaald.
2. [verzoekster] heeft geen actuele financiële gegevens overgelegd, waaruit blijkt dat zij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren indien de rechtsgevolgen van het boetebesluit niet worden opgeschort. Uit voormelde aanmaning en de bij de nadere stukken overgelegde bankafschriften, facturen en brieven ter zake van getroffen betalingsregelingen blijkt dit evenmin. Gelet hierop heeft [verzoekster] het spoedeisend belang van het verzoek niet aangetoond. Reeds daarom moet het verzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Oei
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2014
670.