ECLI:NL:RVS:2014:3231
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door feitelijk werkgeverschap
De minister legde appellante een boete van €4.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte bij haar onderneming. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij geen werkgever was in de zin van de Wav, omdat de vreemdeling haar ongevraagd hielp en er geen sprake was van een opdracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overwoog dat het feitelijk laten verrichten van arbeid voldoende is voor werkgeverschap, ongeacht de vraag of er een gezagsverhouding of loonbetaling is. De verklaringen van appellante en de vreemdeling werden als juist aangenomen, zonder aanleiding tot twijfel.
Appellante voerde verder aan dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden en dat zij onvoldoende gelegenheid had gehad om financiële gegevens te overleggen voor matiging van de boete. Deze bezwaren werden verworpen. De Raad oordeelde dat de minister terecht uitging van de beleidsregels en dat de boete passend was gezien de ernst van de overtreding en de financiële situatie van appellante.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.