ECLI:NL:RVS:2014:3226
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende opvang in land van herkomst
De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 14 augustus 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister, stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling op 13 december 2013 gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vreemdeling in haar land van herkomst, Marokko, voorzien was van opvang via haar dochter. De vreemdeling had onvoldoende onderbouwd dat zij zorg nodig had of dat haar dochter niet in staat was opvang te bieden.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 21 augustus 2014 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.