ECLI:NL:RVS:2014:3136
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 16 april 2014 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 14 mei 2014 ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep betoogde de vreemdeling onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht had toegepast met betrekking tot nieuwe gronden over zijn seksuele gerichtheid. De Raad van State oordeelde dat deze nieuwe gronden niet in de procedure konden worden betrokken omdat zij niet waren aangevoerd in de bestuurlijke fase, en dat de vreemdeling deze gronden kan gebruiken voor een nieuwe aanvraag.
Verder oordeelde de Raad van State dat de overige aangevoerde gronden niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden en dat er geen reden was voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.