ECLI:NL:RVS:2014:3052
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 25 april 2014 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast werd op 30 mei 2014 door de staatssecretaris een inreisverbod uitgevaardigd tegen de vreemdeling, waartegen eveneens beroep werd ingesteld. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd en verwees het beroep door aan de Afdeling bestuursrechtspraak.
In het hoger beroep voerde de vreemdeling aan dat het inreisverbod in strijd was met de artikelen 3 en 8 EVRM, onder meer omdat hij een in Nederland verblijvende broer heeft. De staatssecretaris stelde dat het familie- en gezinsleven ook buiten Nederland kan worden uitgeoefend en dat een aanvraag voor verblijf bij de broer mogelijk is.
De Raad van State oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om het besluit te vernietigen. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.