ECLI:NL:RVS:2014:2992
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraken rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 4 juni 2013 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel af en legde een inreisverbod op. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de aanvullende medische nota van het Bureau Medische Advisering (BMA) niet inzichtelijk was. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) leidt uitzetting wegens medische toestand alleen onder uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, namelijk bij een ernstige ziekte in een vergevorderd en levensbedreigend stadium zonder adequate medische voorzieningen in het land van herkomst.
De medische adviezen van het BMA stelden dat de ziekte van de vreemdeling niet in zo'n stadium was en dat adequate behandeling en medicijnen in Irak beschikbaar zijn. De vreemdeling had dit niet kunnen weerleggen. Daarom zijn geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die uitzetting in de weg staan. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank vernietigd.