ECLI:NL:RVS:2014:2949
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Zeeland-West-Brabant matigde deze boete tot €4.000 en verklaarde het beroep van appellante gegrond.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl appellante incidenteel hoger beroep instelde tegen het oordeel over de vreemdelingenstatus van de werknemer en de hoogte van de boete. De Raad van State oordeelde dat voldoende vaststaat dat de werknemer een vreemdeling is en dat appellante geen tegenbewijs heeft geleverd. Verder concludeerde de Raad dat de financiële situatie van appellante geen matiging van de boete rechtvaardigt.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond en het incidenteel hoger beroep van appellante ongegrond. Het beroep van appellante tegen het boetebesluit werd alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellante tegen de boete ongegrond.