ECLI:NL:RVS:2014:2916
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en beoordeling van minder dwingende maatregelen na presentatie bij ambassade
De vreemdeling werd op 15 mei 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en hief de bewaring op, maar wees het verzoek om schadevergoeding af. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is, omdat zijn argumenten geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak. De staatssecretaris stelde dat de rechtbank onvoldoende terughoudendheid betrachtte bij de toetsing van de bewaring en dat de presentatie van de vreemdeling bij de Pakistaanse ambassade op 23 mei 2014 niet afdoet aan het risico dat zij zich aan het toezicht onttrekt.
De Raad van State stelde vast dat de bewaring rechtmatig was opgelegd en dat het risico op ontduiking van de uitzettingsprocedure blijft bestaan, ook na de presentatie bij de ambassade. De vreemdeling had geen concrete inspanningen verricht om terug te keren en geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig maken. Daarom werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring blijft gehandhaafd; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.