ECLI:NL:RVS:2014:2910
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen leges mvv wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen de hoogte van de leges voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ontvankelijk had verklaard. De vreemdeling had het bezwaarschrift te laat ingediend, na de wettelijke termijn van vier weken, maar stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat het besluit geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte en zij niet werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vreemdeling ten tijde van een later besluit, waarin wel een rechtsmiddelenverwijzing was opgenomen, redelijkerwijs had kunnen weten dat bezwaar tijdig moest worden ingediend. Hierdoor is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Tevens was het afzien van het horen in bezwaar gerechtvaardigd omdat het bezwaar duidelijk niet-ontvankelijk was.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de leges mvv is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.