ECLI:NL:RVS:2014:2820

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2014
Publicatiedatum
23 juli 2014
Zaaknummer
201405766/2/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdelingen aan Italië

Bij besluiten van 5 juni 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen, waaronder minderjarigen, stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die hun beroepen ongegrond verklaarde. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld en is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om overdracht aan Italië te voorkomen.

De voorzitter overweegt dat de vreemdelingen niet behoren tot de categorieën waarvoor de staatssecretaris zich in uitzonderlijke gevallen tegen overdracht verzet, zoals gezinnen met kinderen jonger dan vijf jaar of ernstig zieke gezinsleden. Er is geen reden om aan te nemen dat het hoger beroep zal leiden tot vernietiging van het vonnis.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De overdracht kan derhalve doorgaan terwijl het hoger beroep loopt.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Italië wordt afgewezen.

Uitspraak

201405766/2/V4.
Datum uitspraak: 14 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling A], mede voor zijn minderjarige kind, en Stichting Nidos, in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [vreemdeling B] (hierna tezamen: de vreemdelingen),
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2014 in zaken nrs. 14/13445 en 14/13448 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 5 juni 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 11 juli 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben een schriftelijke reactie ingediend.
Overwegingen
1. Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen worden overgedragen aan Italië gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Daartoe betogen zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, mede in aanmerking genomen dat twee van de vreemdelingen, geboren op respectievelijk 19 juli 2001 en 15 augustus 2002, minderjarig zijn, zij na overdracht aan Italië in een situatie komen te verkeren die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2. In zijn schriftelijke reactie heeft de staatssecretaris uiteengezet dat hij de overdracht van vreemdelingen aan Italië in zijn algemeenheid verantwoord acht, maar dat uit zijn antwoorden van 2 juli 2014 op vragen van een lid van de Tweede Kamer (met kenmerk 2014Z10275) volgt dat hij in lijn met de situatie in Denemarken en in afwachting van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaak nr. 29217/12, Tarakhel tegen Zwitserland, zich niet zal verzetten tegen een toewijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening indien het gaat om gezinnen met een kind jonger dan vijf jaar of van wie één van de gezinsleden een ernstige lichamelijke of geestelijke ziekte heeft. Dit in aanmerking genomen is in hetgeen de vreemdelingen hebben aangevoerd geen reden gelegen om van overdracht af te zien, aldus de staatssecretaris.
3. De vreemdelingen vallen niet binnen de in voormelde antwoorden van 2 juli 2014 geduide categorie vreemdelingen. Nu voorts thans geen grond bestaat om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd, ziet de voorzitter onder deze omstandigheden, hoewel aan de vreemdelingen is aangekondigd dat zij op zeer korte termijn zullen worden overgedragen, geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen.
4. Het verzoek dient daarom als ongegrond te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Verbeek
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2014
574.