ECLI:NL:RVS:2014:275
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting niet achterwege blijft wegens medische beletselen volgens artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
De staatssecretaris wees een aanvraag van de vreemdeling af om uitzetting op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 achterwege te laten. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte stelde dat het Bureau Medische Advisering (BMA) zich nader had moeten uitlaten over een brief van de behandelaars van de vreemdeling. De brief was niet toegespitst op het specifieke ziektebeeld, waardoor de staatssecretaris niet verplicht was het BMA om nadere toelichting te vragen.
Verder is vastgesteld dat de medische situatie van de vreemdeling niet voldoet aan de uitzonderlijke omstandigheden die een schending van artikel 3 EVRM Pro zouden kunnen rechtvaardigen. Ook is geoordeeld dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro in deze procedure niet aan de orde is. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.