ECLI:NL:RVS:2014:270

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
29 januari 2014
Zaaknummer
201311299/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor vreemdeling

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2013. De staatssecretaris had op 11 november 2013 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit van de staatssecretaris en droeg hem op een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Raad van State overweegt dat de staatssecretaris, en diens rechtsvoorgangers, bij eerdere besluiten al een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning hadden afgewezen. De vreemdeling had eerder, op 30 september 2010, een aanvraag ingediend die ook was afgewezen. De Raad stelt vast dat het besluit van 11 november 2013 van gelijke strekking is als het eerdere besluit van 20 september 2011. Dit betekent dat de bestuursrechter niet kan toetsen of het besluit van 11 november 2013 een eerste afwijzing is, tenzij er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen.

De vreemdeling had in de procedure nieuwe bewijsstukken overgelegd, waaronder een doopakte en een verklaring van dr. A.J. Plaisier, maar de Raad van State oordeelt dat deze stukken niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. De vreemdeling had eerder al verklaard dat hij had gelogen over zijn geloof en de doopakte bewijst niet dat er nieuwe feiten zijn die de afwijzing van de aanvraag kunnen beïnvloeden. De Raad van State verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.

Uitspraak

201311299/1/V2.
Datum uitspraak: 21 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2013 in zaken nrs. 13/28944 en 13/28943 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 6 december 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.
2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
2.2. De vreemdeling heeft eerder, op 30 september 2010, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die de staatssecretaris bij besluit van 20 september 2011 heeft afgewezen. Het besluit van 11 november 2013 is van gelijke strekking als het besluit van 20 september 2011, zodat op het tegen eerstgenoemd besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.
2.3. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte de door de vreemdeling overgelegde doopakte en de verklaring van dr. A.J. Plaisier (hierna: Plaisier), scriba van de algemene synode van de Protestantse Kerk in Nederland, van 26 november 2013 als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangemerkt.
2.3.1. Ter staving van zijn stelling dat hij is bekeerd, heeft de vreemdeling in de onderhavige procedure een originele doopakte overgelegd en een verklaring van Plaisier van 26 november 2013. Reeds aan de voorafgaande aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Afghanistan als christen is geboren en gedoopt. Daarover heeft hij evenwel in het nader gehoor in het kader van deze aanvraag verklaard dat hij heeft gelogen. Gelet op deze voorgeschiedenis heeft de vreemdeling met het overleggen van een originele doopakte geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aangetoond.
2.3.2. Volgens de verklaring van Plaisier was het op het moment van het gesprek tussen hem en de vreemdeling nog maar enkele weken geleden dat de vreemdeling was gedoopt waardoor het moeilijk was een gesprek over geloof, bekering en christen-zijn te hebben. Voorts verklaart Plaisier dat dit gesprek te vroeg kwam en dat het vanwege de korte periode van christen-zijn moeilijk was uit te maken hoe iemand praktiserend christen is. Aan het slot verklaart Plaisier dat het feit dat de vreemdeling een jonge christen is, maakte dat dit gesprek wel een erg voorlopig karakter had, maar dat hij denkt dat diens doop een bewuste keuze is geweest. Gelet op het voorbehoud dat in deze verklaring ook op een aantal andere punten wordt gemaakt, kan ook deze verklaring niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt.
2.3.3. Onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter derhalve ten onrechte de doopakte en de genoemde verklaring als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt. De eerste grief slaagt.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de staatssecretaris in de tweede grief heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep is ongegrond.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2013 in zaak nr. 13/28943;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Wolff
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2014
238.