ECLI:NL:RVS:2014:2680
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod na opheffing ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 1 juli 2013 een besluit uit waarin een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring werd ingewilligd, maar tegelijkertijd een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde omdat zij oordeelde dat het besluit niet op juiste wijze was bekendgemaakt en de vreemdeling daardoor niet in de gelegenheid was gesteld zijn individuele omstandigheden naar voren te brengen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat mogelijke onregelmatigheden in de bekendmaking het besluit zelf niet rechtmatigt kunnen aantasten. Tevens stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling conform artikel 4:8 van Pro de Awb in de gelegenheid was gesteld schriftelijk te reageren op het voorgenomen inreisverbod en dat hij gewezen was op de mogelijkheid humanitaire of andere redenen aan te voeren.
Omdat de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid, oordeelde de Afdeling dat het opleggen van het inreisverbod voor tien jaren rechtmatig was. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.