ECLI:NL:RVS:2014:2643
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beëindiging duurzame relatie voor intrekking verblijfsvergunning
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag, die de intrekking van de verblijfsvergunning van een vreemdeling met terugwerkende kracht onterecht achtte. De minister had op 30 juli 2012 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2009 en de ingangsdatum van de vergunning voor voortgezet verblijf.
De rechtbank oordeelde dat de duurzame en exclusieve relatie tussen de vreemdeling en de referent pas in maart 2010 was beëindigd, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De staatssecretaris stelde echter dat de relatie al op 10 oktober 2009 was beëindigd, omdat de referent toen had aangegeven een relatie met een ander te willen voortzetten.
De Raad van State stelt vast dat de verklaringen van partijen bevestigen dat de referent op 10 oktober 2009 aan de vreemdeling heeft meegedeeld een andere relatie te hebben. Het feit dat zij tot maart 2010 samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, verandert hier niets aan, omdat volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 alleen exclusieve relaties gelijkgesteld kunnen worden met een huwelijk voor verblijfsrechtelijke doeleinden.
De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is terecht.