ECLI:NL:RVS:2014:2593

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2014
Publicatiedatum
16 juli 2014
Zaaknummer
201301595/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak bestuursrecht inzake omgevingsvergunning voor woningbouw in Den Haag

In deze zaak gaat het om een omgevingsvergunning die op 6 februari 2012 door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is verleend voor het in- en uitwendig veranderen en vergroten van een garage tot woning op een perceel in Den Haag. Tegen deze vergunning hebben [appellant] en anderen bezwaar gemaakt, wat door het college op 28 juni 2012 ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft op 9 januari 2013 het beroep van [appellant] en anderen gegrond verklaard, het besluit van 28 juni 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het college heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Tijdens de zitting op 22 november 2013 is de zaak behandeld, waarbij het college werd vertegenwoordigd door mr. M.J.F.P. Larive-Bonsen en [appellant] en anderen door hun gemachtigde en mr. G.C.M. Schipper, advocaat te Amsterdam. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 5 maart 2014 een tussenuitspraak gedaan, waarin het college werd opgedragen om binnen 10 weken het gebrek in het besluit van 22 april 2013 te herstellen. Het college heeft op 13 mei 2014 een nieuw besluit genomen, waarin de omgevingsvergunning alsnog werd geweigerd.

De Afdeling heeft in haar overwegingen vastgesteld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voldoende mogelijkheden zijn voor reiniging en onderhoud van de tussenruimte, en dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering is voor de verlening van de omgevingsvergunning. Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 22 april 2013 is gegrond verklaard, terwijl het beroep van [partij] tegen het besluit van 13 mei 2014 ongegrond is verklaard. Het college is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] en anderen.

Uitspraak

201301595/2/A1.
Datum uitspraak: 16 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het beroep (artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht) in de zaak van:
[appellant] en anderen, allen wonend te Den Haag,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het in- en uitwendig veranderen en vergroten van de garage tot woning op het perceel [locatie] te Den Haag.
Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juni 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de uitspraak te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[appellant] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 22 april 2013 heeft het college opnieuw op het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 6 februari 2012 gemaakte bezwaar beslist, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2012 in die zin herroepen dat op grond van artikel 2.5.17, vierde lid, van de Bouwverordening van de Gemeente Den Haag (hierna: de bouwverordening) ontheffing wordt verleend van het bepaalde in artikel 2.5.17, eerste lid.
[appellant] en anderen hebben hiertegen gronden ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.F.P. Larive-Bonsen, werkzaam bij de gemeente, en [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. G.C.M. Schipper, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
Bij tussenuitspraak van 5 maart 2014 in zaak nr. 201301595/1/A1 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd en het college opgedragen om binnen 10 weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 22 april 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 13 mei 2014 heeft het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] en anderen genomen.
[appellant] en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 22 april 2013 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de tussenruimte als bedoeld in artikel 2.5.17, vierde lid, van de bouwverordening. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat.
2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 13 mei 2014 het besluit van 6 februari 2012 in bezwaar herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht alsnog geweigerd.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.
3. [partij] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen beroepsgronden gericht tegen het besluit van 13 mei 2014 ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat hij geen bezwaren heeft tegen dat besluit. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.
4. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte niet aan de weigering van de omgevingsvergunning tevens ten grondslag heeft gelegd dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Nu het college bij besluit van 13 mei 2014 de vergunning heeft geweigerd en de Afdeling in de tussenuitspraak reeds heeft vastgesteld dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat, stelt de Afdeling vast dat [appellant] en anderen geen belang hebben bij een beoordeling van het besluit van 13 mei 2014, omdat hetgeen zij met het beroep hebben beoogd te bereiken, te weten het weigeren van de omgevingsvergunning, reeds is bereikt. Gelet hierop is tegen het besluit van 13 mei 2014 ten aanzien van [appellant] en anderen geen beroep van rechtswege ontstaan.
5. Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 22 april 2013 is, gelet op overwegingen 7.1 en 8.2 van de tussenuitspraak, gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van [partij] tegen het besluit van 13 mei 2014 is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond.
6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 22 april 2013 gegrond;
II. vernietigt dat besluit;
III. verklaart het beroep van [partij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 13 mei 2014 ongegrond;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 22 april 2013 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Dorst
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014
357-712.