ECLI:NL:RVS:2014:2524
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving permanente bewoning recreatieverblijf in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Koggenland legde appellant een last onder dwangsom op om de permanente bewoning van een recreatieverblijf te staken, omdat dit in strijd was met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2000, Herziening 2002". Appellant voerde aan dat de permanente bewoning reeds bestond vóór het inwerkingtreden van het bestemmingsplan en sindsdien onafgebroken was voortgezet, onder meer met verwijzing naar energierekeningen en een verklaring van de parkbeheerder.
De voorzieningenrechter oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het gebruik van het recreatieverblijf voor permanente bewoning bestond op het moment dat het bestemmingsplan rechtskracht verkreeg, en dat het gebruik niet onder het overgangsrecht viel. Ook stelde de rechter vast dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik in strijd met het bestemmingsplan.
Appellant stelde verder dat het college vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de onverkoopbaarheid van het recreatieverblijf en het ontbreken van een urgentieverklaring, had moeten afzien van handhaving of de begunstigingstermijn had moeten verlengen. De Raad van State oordeelde dat het algemeen belang bij handhaving zwaarder weegt en dat geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die handhaving in dit geval onevenredig maken.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Een proceskostenveroordeling is niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.