ECLI:NL:RVS:2014:2461
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdelingen geen recht hebben op machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband
De vreemdelingen dienden een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hun pleegmoeder, houder van een verblijfsvergunning, te verblijven. De minister wees deze aanvragen af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdelingen niet in aanmerking komen voor een mvv op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de pleegmoeder zelf Nederland is binnengekomen via een mvv in het kader van nareis naar haar echtgenoot. De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van de echtgenoot behoren, waardoor zij niet kunnen nareizen naar de pleegmoeder.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Tevens verwierp zij de bezwaren van de vreemdelingen dat het besluit ondeugdelijk was voorbereid en gemotiveerd en dat Europese regelgeving niet was gehonoreerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.