ECLI:NL:RVS:2014:2299
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming voor beveiligingswerk vanwege onvoldoende betrouwbaarheid
Appellant heeft bij de korpschef van de politieregio Oost-Brabant toestemming gevraagd om werkzaamheden te verrichten voor een particuliere beveiligingsorganisatie. Deze toestemming werd op 19 oktober 2012 geweigerd vanwege een onherroepelijke veroordeling van appellant tot zes weken gevangenisstraf wegens mishandeling en betrokkenheid bij een hennepkwekerij.
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit van de korpschef handhaafde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat de veroordeling zich in de privésfeer had voorgedaan, dat er geen vrees voor recidive was en dat hij een onberispelijke staat van dienst had in de beveiligingsbranche.
De Raad van State oordeelde dat de wet en de circulaire een strikte norm hanteren waarbij een onherroepelijke veroordeling binnen acht jaar leidt tot het onthouden van toestemming. De hardheidsclausule biedt geen ruimte voor belangenafweging in deze situatie. De persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van andere veroordelingen waren onvoldoende om de betrouwbaarheid te herstellen.
De Afdeling bevestigde daarom het besluit van de korpschef en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toestemming tot beveiligingswerkzaamheden wordt bevestigd.