ECLI:NL:RVS:2014:2295
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens gezinsbanden
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van vreemdelingen 1, 2 en 3 tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gegrond verklaarde. De rechtbank had bepaald dat de minister een nieuw besluit moest nemen, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak voor zover aangevallen.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vreemdelingen 1, 2 en 3 niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van hun referent uit Somalië feitelijk tot diens gezin behoorden. Tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van overtuigend bewijs ondersteunen dit oordeel. Een DNA-onderzoek werd niet noodzakelijk geacht omdat dit geen uitsluitsel zou geven over de gezinsband.
De Afdeling wijst tevens het beroep van vreemdelingen 1, 2 en 3 af en bevestigt daarmee de afwijzing van hun aanvragen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De overige beroepsgronden die door de rechtbank waren beoordeeld, maar niet in hoger beroep aan de orde zijn gesteld, blijven buiten beschouwing.
Uitkomst: Het beroep van vreemdelingen 1, 2 en 3 tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.