De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 9 oktober 2012 werd afgewezen, met een inreisverbod tot gevolg. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarbij de staatssecretaris stelde dat ernstige redenen bestonden om te veronderstellen dat de vreemdeling betrokken was bij ernstige misdrijven, gebaseerd op een vonnis van een Turkse rechtbank. Dit vonnis was mede gebaseerd op een bekentenis die onder marteling was afgelegd. De Afdeling oordeelde dat het vonnis onbetrouwbaar is en dat de staatssecretaris ten onrechte dit vonnis als grondslag heeft gebruikt zonder nader onderzoek naar de bewijsmiddelen.
De Afdeling stelde vast dat de in beslag genomen documenten, die volgens de staatssecretaris het vonnis ondersteunen, niet in het dossier aanwezig zijn en dat de bekentenis onder dwang is afgelegd. Daarom kon niet worden aangenomen dat artikel 1(F) op de vreemdeling van toepassing is. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 9 oktober 2012 vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.948,00. De Afdeling benadrukte het belang van een eerlijk proces en het verbod op het gebruik van onder marteling verkregen bewijs.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en oplegging van inreisverbod wordt vernietigd wegens onbetrouwbaarheid van het Turkse vonnis en strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Uitspraak
201302787/1/V1.
Datum uitspraak: 16 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2013 in zaak nr. 12/32990 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft nadere stukken overgelegd.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. In grieven 1 en 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij betrokken is geweest bij misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen (hierna: artikel 1(F)). De vreemdeling betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris heeft volstaan met het opvragen van het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 10 mei 2012 (hierna: het individueel ambtsbericht), dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de volledigheid van het individueel ambtsbericht en dat de staatsecretaris ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar het vonnis van de [rechtbank] voor Zware Strafzaken te [plaats], Turkije, (hierna: de Turkse rechtbank) dat ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van de staatssecretaris hem artikel 1(F) tegen te werpen, nu dat vonnis is gebaseerd op een bekennende verklaring die hij onder marteling heeft afgelegd en hij de misdrijven waarvoor hij is veroordeeld niet heeft gepleegd.
2.1. In het individueel ambtsbericht staat dat de vreemdeling in Turkije is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor lidmaatschap van de illegale [organisatie] en betrokkenheid bij het plegen van een aantal met name genoemde moorden. Voorts is daarin vermeld dat deze veroordeling in rechte vaststaat, nu de [strafkamer] van de Hoge Raad voor Beroep, Turkije, (hierna: de Hoge Raad voor Beroep) het hoger beroep van de vreemdeling op [datum] heeft verworpen. Ook is in het individueel ambtsbericht vermeld dat de Turkse autoriteiten een arrestatiebevel tegen de vreemdeling hebben uitgevaardigd en hij door hen wordt gezocht.
2.2. De rechtbank heeft de staatssecretaris gevolgd in zijn standpunt in het besluit van 9 oktober 2012, en het ingelaste voornemen daartoe, dat ernstige redenen bestaan als bedoeld in artikel 1(F), nu de vreemdeling heeft verklaard dat de Turkse rechtbank hem op [datum] wegens voormelde misdrijven heeft veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, hetgeen in het individueel ambtsbericht is bevestigd. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht van de juistheid van het individueel ambtsbericht is uitgegaan en dat het niet op de weg van de staatssecretaris ligt een diepgaand onderzoek naar de vonnissen van de Turkse rechtbank en de Hoge Raad voor Beroep in te stellen. Daarnaast heeft de vreemdeling volgens de rechtbank niet gestaafd dat het proces in Turkije niet omkleed is geweest met voldoende rechtswaarborgen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vreemdeling in Turkije is bijgestaan door twee gespecialiseerde advocaten en de mogelijkheid heeft om bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) een klacht in te dienen. De rechtbank heeft de staatssecretaris verder gevolgd in zijn standpunt dat, hoewel verklaringen die onder marteling zijn verkregen niet als bewijs mogen worden gebruikt, het vonnis van de Turkse rechtbank tevens is gebaseerd op een of meer documenten die in beslag zijn genomen bij of na de zogenoemde [operatie] te [plaats] op [datum] (hierna: de in beslag genomen documenten) en de gedeeltelijke bekentenis van de vreemdeling bij de Turkse rechtbank naar aanleiding van zijn spijtbetuiging om in aanmerking te komen voor invrijheidstelling op grond van een spijtoptantenregeling. De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank daarom in het vonnis van de Turkse rechtbank terecht aanleiding gezien de vreemdeling artikel 1(F) tegen te werpen.
2.3. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij het in het besluit ingenomen standpunt in die zin heeft gewijzigd dat hij zich thans op het standpunt stelt dat in het kader van de tegenwerping van artikel 1(F) beperkte betekenis toekomt aan voormeld vonnis van de Turkse rechtbank, nu dit vonnis, voor zover vertaald, niet vermeldt welke bewijsmiddelen hebben geleid tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en derhalve niet kan worden uitgesloten dat de bewezenverklaring steunt op onder marteling verkregen bewijs. Dit vonnis is volgens de staatssecretaris slechts van betekenis voor zover daarin melding wordt gemaakt van de in beslag genomen documenten, aangezien dit objectieve gegevens zijn, en de bekentenis van de vreemdeling bij de Turkse rechtbank in het kader van zijn beroep op de spijtoptantenregeling.
2.4. De rechtbank heeft niet onderkend dat, nu blijkens het besluit van 9 oktober 2012 en het daarbij ingelaste voornemen niet in geschil is dat het vonnis van de Turkse rechtbank mede is gebaseerd op de onder marteling verkregen verklaring van de vreemdeling, de staatssecretaris ten onrechte betekenis heeft gehecht aan dat vonnis. Uit het arrest van het EHRM van 17 januari 2012, Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 8139/09 (www.echr.coe.int) volgt immers dat dat vonnis in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de fundamentele internationale beginselen van een eerlijk proces. Nu het vonnis van de Turkse rechtbank, gelet op paragraaf 267 van dat arrest, als geheel onbetrouwbaar is, heeft de staatssecretaris dit ten onrechte ten grondslag gelegd aan de tegenwerping van artikel 1(F).
De staatssecretaris kan verder niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij met de in beslag genomen documenten en de bekentenis van de vreemdeling in het kader van het beroep op de spijtoptantenregeling - op zichzelf genomen en los van het vonnis van de Turkse rechtbank - reeds heeft aangetoond dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat de vreemdeling betrokken is geweest bij voormelde misdrijven. De in beslag genomen documenten ontbreken in het voorliggende dossier en worden, buiten het vonnis van de Turkse rechtbank, alleen vermeld in de tenlasteleggingen van [datum] en [datum] van het Openbaar Ministerie te [plaats], zonder dat daarbij is vermeld om welke documenten het precies gaat of wat de inhoud ervan is. Daar komt bij dat de staatssecretaris geen nader onderzoek heeft gedaan naar de in beslag genomen documenten. In het individueel ambtsbericht is immers uitsluitend geverifieerd of de vreemdeling is veroordeeld voor voormelde misdrijven.
Nu de staatssecretaris voorts in het besluit noch ter zitting bij de Afdeling heeft betwist dat de vreemdeling de verklaring dat hij een beroep doet op de spijtoptantenregeling onder dwang heeft getekend, kan aan de in dat kader ter zitting bij de Turkse rechtbank afgelegde bekentenis over zijn lidmaatschap van [organisatie] evenmin betekenis worden gehecht. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de tegenwerping van artikel 1(F) in het besluit niet uitsluitend is gebaseerd op het lidmaatschap van de vreemdeling van [organisatie], maar ook op zijn actieve deelname aan die organisatie, zoals de staatssecretaris desgevraagd ter zitting heeft bevestigd.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich ten onrechte zonder nader onderzoek op het standpunt heeft gesteld dat artikel 1(F) op de vreemdeling van toepassing is.
Grieven 1 en 2 slagen reeds hierom.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep alsnog gegrond verklaard en het besluit van 9 oktober 2012 wegens strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2013 in zaak nr. 12/32990;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 9 oktober 2012, kenmerk 275.289.6131;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.