ECLI:NL:RVS:2014:2265
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen legesheffing bij wijziging verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, waarbij leges werden geheven. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar deels gegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het eerdere besluit waartegen het beroep was gericht was ingetrokken. Het nieuwe besluit van de staatssecretaris, waarin het legestarief werd verlaagd en een bedrag werd gerestitueerd, werd geacht onderwerp van het geding te zijn.
De vreemdeling voerde aan dat de legesheffing in strijd was met de Europese richtlijn inzake gezinshereniging en dat het tarief van € 225,00 onevenredig was. De Raad van State verwierp dit betoog op grond van eerdere jurisprudentie.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het legesbesluit ongegrond, met een veroordeling tot proceskostenvergoeding.