ECLI:NL:RVS:2014:2237
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens ontbreken zelfstandige woonruimte en huishoudelijke relatie
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die het beroep ongegrond verklaarde tegen besluiten van de Belastingdienst waarin de huurtoeslag over 2010 en 2011 op nihil werd vastgesteld en betaalde voorschotten werden teruggevorderd.
Appellant huurt van haar zoon een woning zonder schriftelijke huurovereenkomst en betaalt maandelijks huur. De Belastingdienst stelde dat de woning geen zelfstandige woonruimte is omdat keuken en sanitaire voorzieningen worden gedeeld met de zoon, die tevens als medebewoner staat ingeschreven. De rechtbank oordeelde dat appellant niet voldeed aan de bewijsopdracht om aan te tonen dat sprake was van zelfstandige woonruimte en dat de zoon geen medebewoner was.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte aansluiting zocht bij een eerdere bewijsopdracht, maar bevestigt dat appellant niet als huurder kan worden aangemerkt omdat zij samen met haar zoon een huishouden voert en daardoor invloed kan uitoefenen op de huurprijs. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd. Tevens faalt het beroep tegen terugvordering van voorschotten en het betoog over persoonlijke omstandigheden van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.