ECLI:NL:RVS:2014:2225

Raad van State

Datum uitspraak
18 juni 2014
Publicatiedatum
18 juni 2014
Zaaknummer
201309173/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:6 AwbArt. 1:2 AwbArt. 2 bijlage 2 AwbNatuurbeschermingswet 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen bestemmingsplan bedrijventerreinen Lingewaard

De raad van de gemeente Lingewaard stelde op 27 juni 2013 het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen actualisatie 2013' vast, waarin vijf bedrijventerreinen zijn opgenomen, waaronder bedrijventerrein Looveer. Een veehouder, gevestigd in de gemeente Lingewaard, stelde beroep in tegen de plandelen met de bestemming 'Bedrijf', omdat zij meende dat het plan nadelige gevolgen zou hebben voor haar belangen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het perceel van de veehouder ongeveer 330 meter verwijderd ligt van het dichtstbijzijnde perceel met de bestemming 'Bedrijf' op het bedrijventerrein Looveer, zonder zicht daarop. Hierdoor is het belang van de veehouder niet rechtstreeks bij het bestemmingsplan betrokken. Ook een mogelijke toename van stikstofdepositie op een nabijgelegen Natura 2000-gebied raakt haar belangen slechts indirect, omdat de vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 afhankelijk is van meerdere factoren.

Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 juni 2014.

Uitkomst: Het beroep van de veehouder tegen het bestemmingsplan is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan rechtstreeks belang.

Uitspraak

201309173/1/R2.
Datum uitspraak: 18 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Huissen, gemeente Lingewaard,
en
de raad van de gemeente Lingewaard,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen actualisatie 2013" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en de raad van de gemeente Lingewaard, vertegenwoordigd door mr. S. Lamkadmi, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2. Het plan voorziet in een actueel en integraal juridisch-planologisch kader voor vijf bedrijventerreinen binnen de gemeente Lingewaard, waaronder bedrijventerrein Looveer. De planregeling sluit aan bij de bestaande situatie en is overwegend conserverend van aard. [appellante] exploiteert een veehouderij op haar perceel [locatie].
3. Ingevolge artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van Pro de Awb en artikel 2 van Pro bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 1:2 van Pro de Awb wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4. [appellante] richt zich in beroep tegen de plandelen met de bestemming "Bedrijf". Het dichtstbijzijnde perceel met de bestemming "Bedrijf" ligt op het bedrijventerrein Looveer. Het bedrijfsperceel van [appellante] ligt op een afstand van ongeveer 330 meter van dat perceel met de bestemming "Bedrijf". Vanaf het bedrijfsperceel is er geen zicht op de betrokken percelen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de gronden mogelijk gemaakt kunnen worden, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.
Voor zover [appellante] heeft gewezen op een door de bedrijventerreinen veroorzaakte mogelijke toename van de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, waarvan zij bij een toekomstige aanvraag voor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden, overweegt de Afdeling dat een eventuele toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de in het bestreden plan opgenomen regeling [appellante] niet rechtstreeks in haar belangen treft. Een eventuele toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van het plan is niet zonder meer bepalend voor het al dan niet kunnen verkrijgen van een vergunning op grond van de Nbw 1998 voor het bedrijf van [appellante]. Dat laatste is ook onder meer afhankelijk van de eventuele stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied vanwege andere activiteiten en eventuele maatregelen die [appellante] kan treffen ter beperking van haar eigen stikstofemissie. Haar belangen zijn dan ook slechts op indirecte wijze bij het bestreden besluit betrokken.
De conclusie is dat [appellante] in zoverre geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van Pro de Awb en artikel 2 van Pro bijlage 2 bij de Awb, op dit punt geen beroep kan instellen.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Kuggeleijn-Jansen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014
545-815.