ECLI:NL:RVS:2014:2094
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit boete Wet arbeid vreemdelingen wegens onontvankelijkheid bezwaar appellant
Bij besluit van 10 mei 2012 legde de minister een boete van €8.000 op aan [bedrijf] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellanten, waaronder appellant sub 1 en de vennoten van het bedrijf, maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister en vervolgens door de rechtbank ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep stelde appellant sub 1 dat zij niet als werknemer, maar als vennoot werkzaam was en dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant sub 1 haar werkzaamheden feitelijk onder gezag verrichtte en loon ontving, waardoor zij als werknemer in de zin van artikel 45 VWEU Pro moet worden aangemerkt. Hierdoor was zij ten onrechte als belanghebbende aangemerkt en werd haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit voor zover het bezwaar van appellant sub 1 niet-ontvankelijk werd verklaard, verklaarde haar beroep gegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de vennoten werd ongegrond verklaard en de rest van de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant sub 1.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant sub 1 wordt niet-ontvankelijk verklaard en haar hoger beroep gegrond verklaard, het hoger beroep van de vennoten wordt ongegrond verklaard.