ECLI:NL:RVS:2014:1926
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf toeslagpartner
Appellante, gehuwd met een niet-rechtmatig verblijvende partner, kreeg haar voorschot huurtoeslag voor 2012 deels herzien en voor de maanden juni tot en met december 2012 op nihil gesteld door de Belastingdienst. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd dit besluit bevestigd. Appellante stelde dat het besluit in strijd was met artikel 34 van Pro het Handvest van de Europese Unie, dat het recht op sociale voorzieningen beschermt.
De Raad van State overwoog dat het Handvest alleen van toepassing is wanneer het Unierecht wordt uitgevoerd, wat hier niet het geval was. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de Nederlandse regeling geen uitvoering van Unierecht inhoudt en dat het arrest Kamberaj niet van toepassing is omdat dat betrekking had op een situatie waarin Unierecht werd omgezet.
Ook het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens faalde omdat de rechtbank voldoende had gemotiveerd waarom geen prejudiciële vragen werden gesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.