ECLI:NL:RVS:2014:1925
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen subsidievaststelling PBL-voorziening door CVZ
Stichting MEE Noordoost Brabant stelde beroep in tegen het besluit van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) waarin de subsidie voor 2011 werd vastgesteld en waarbij de dotatie aan de voorziening Persoonlijk Budget Levensfase (PBL) gedeeltelijk werd afgetrokken. Het CVZ oordeelde dat alleen de dotatie voor daadwerkelijk opgebouwde PBL-uren subsidiabel is, niet de dotatie voor toekomstige verplichtingen.
De stichting voerde aan dat de Regeling subsidies AWBZ het vormen van een PBL-voorziening expliciet toestaat en dat op grond van de CAO Gehandicaptenzorg en het jaarrekeningenrecht deze dotaties subsidiabel zijn. De Raad van State oordeelde echter dat alleen werkelijke lasten subsidiabel zijn en dat toekomstige, nog niet opgebouwde PBL-uren afhankelijk zijn van onzekerheden zoals het dienstverband en het voortbestaan van de stichting, waardoor deze kosten niet als waarschijnlijk of vaststaand kunnen worden aangemerkt.
Verder faalde het betoog van de stichting dat het CVZ in strijd met het verbod van willekeur en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zou hebben gehandeld, aangezien de situatie in 2011 verschilde van die in 2009 en 2010. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van Stichting MEE Noordoost Brabant tegen de subsidievaststelling 2011 door het CVZ wordt ongegrond verklaard.