ECLI:NL:RVS:2014:1752

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2014
Publicatiedatum
14 mei 2014
Zaaknummer
201309078/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • N. Verheij
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens onjuiste emigratiegegevens

De minister voor Immigratie en Asiel wees op 17 november 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De minister handhaafde dit besluit bij bezwaar op 1 februari 2012. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die op 3 september 2013 het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat het besluit van 1 februari 2012 onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd. Dit omdat de vreemdeling pas ter zitting nieuwe gronden aanvoerde over zijn vertrek naar België en zijn woonwens in Nederland, waardoor de staatssecretaris niet adequaat kon reageren.

De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De zaak draaide om de vraag of de vreemdeling geëmigreerd was naar Turkije, hetgeen de grondslag van zijn aanvraag zou doen vervallen, maar de vreemdeling stelde dat hij naar België was vertrokken. Door dit pas laat aan te voeren, werd de goede procesorde geschonden.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

201309078/1/V3.
Datum uitspraak: 6 mei 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 september 2013 in zaak nr. 12/5758 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 17 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen (hierna: de aanvraag) afgewezen.
Bij besluit van 1 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij ter zitting geen verifieerbare onderbouwing heeft kunnen geven van zijn in het besluit van 1 februari 2012 ingenomen standpunt en evenmin is gebleken of en hoe hij de juistheid van de ambtshalve verkregen informatie heeft getoetst, het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank, in strijd met de goede procesorde, ten onrechte het gegeven passeert dat de vreemdeling eerst ter zitting de in het besluit van 1 februari 2012 neergelegde motivering heeft bestreden. De staatssecretaris betoogt dat de vreemdeling geen verschoonbare reden heeft aangevoerd voor het late moment waarop hij zijn (niet onderbouwde) gronden betreffende de redenen van zijn vertrek naar België en zijn wens om in Nederland te wonen, heeft aangevoerd. De rechtbank heeft dit derhalve ten onrechte in haar beoordeling betrokken, aldus de staatssecretaris.
1.1. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling afgewezen, omdat uit ambtshalve verkregen informatie is gebleken dat de vreemdeling met ingang van 1 november 2011 is uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: de basisregistratie personen) als zijnde geëmigreerd (naar Turkije). De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat daarmee de grondslag van de aanvraag is komen te vervallen. In zijn besluit op bezwaar heeft de staatssecretaris dit standpunt gehandhaafd.
1.2. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep beroepsgronden worden betrokken die een vreemdeling na het nemen van het besluit op bezwaar heeft aangevoerd en die hij niet als zodanig in bezwaar naar voren heeft gebracht.
De vreemdeling heeft evenwel eerst ter zitting van de rechtbank aangevoerd dat hij niet naar Turkije maar naar België is vertrokken en dat het zijn wens is om met zijn gezin in Nederland te wonen.
Gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling dit niet eerder heeft kunnen aanvoeren. Door eerst ter zitting van de rechtbank te reageren op de door de staatssecretaris aan zijn besluit van 1 februari 2012 ten grondslag gelegde motivering dat de vreemdeling was geëmigreerd naar Turkije en dat daarmee de grondslag van de aanvraag was vervallen, heeft de vreemdeling, in strijd met de goede procesorde, aan de staatssecretaris de mogelijkheid ontnomen om adequaat op deze gronden te reageren. Daarbij is in aanmerking genomen dat die gronden niet van dusdanig eenvoudige aard zijn dat de staatssecretaris in redelijkheid in staat kon worden geacht zich daartegen ter zitting te verweren.
Gelet hierop heeft de rechtbank in de ter zitting aangevoerde gronden van de vreemdeling dan ook ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris het besluit van 1 februari 2012 onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd.
1.3. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene en nu de vreemdeling anderszins geen gronden tegen het besluit van 1 februari 2012 heeft aangevoerd, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 februari 2012 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 september 2013 in zaak nr. 12/5758;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014
47-755.