ECLI:NL:RVS:2014:1752
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens onjuiste emigratiegegevens
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 17 november 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De minister handhaafde dit besluit bij bezwaar op 1 februari 2012. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die op 3 september 2013 het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat het besluit van 1 februari 2012 onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd. Dit omdat de vreemdeling pas ter zitting nieuwe gronden aanvoerde over zijn vertrek naar België en zijn woonwens in Nederland, waardoor de staatssecretaris niet adequaat kon reageren.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De zaak draaide om de vraag of de vreemdeling geëmigreerd was naar Turkije, hetgeen de grondslag van zijn aanvraag zou doen vervallen, maar de vreemdeling stelde dat hij naar België was vertrokken. Door dit pas laat aan te voeren, werd de goede procesorde geschonden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.