ECLI:NL:RVS:2014:162

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2014
Publicatiedatum
22 januari 2014
Zaaknummer
201311281/1/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:24 AwbArt. 69 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 14 september 2013 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 12 november 2013 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State beoordeelde de ontvankelijkheid van dit hoger beroep. Uit de stukken bleek dat het hogerberoepschrift op 12 december 2013 was ingediend, terwijl de termijn voor het instellen van hoger beroep op 11 december 2013 was geëindigd. De vreemdeling stelde dat het lastig was geweest om contact te houden met zijn gemachtigde na overdracht aan de Poolse autoriteiten en dat hij telefonisch op 11 december had aangegeven hoger beroep te willen instellen, maar dat dit bericht de gemachtigde pas op 12 december bereikte.

De Raad van State oordeelde dat deze omstandigheden geen rechtvaardiging boden voor het te laat indienen van het hogerberoepschrift. Er waren geen feiten of omstandigheden die redelijkerwijs konden verhinderen dat de vreemdeling tijdig beroep instelde. Daarom werd het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

201311281/1/V4.
Datum uitspraak: 14 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 november 2013 in zaak nr. 13/24050 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 12 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, vangt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift aan met ingang van de dag na die, waarop de aangevallen uitspraak op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.
2. De aangevallen uitspraak is verzonden op 13 november 2013, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep op 11 december 2013 is geëindigd. Het hogerberoepschrift is op 12 december 2013 bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve niet tijdig ingediend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door de vreemdeling gestelde omstandigheden dat het voor zijn gemachtigde zeer moeilijk was om contact met hem te krijgen nadat de vreemdeling op 2 oktober 2013 was overgedragen aan de Poolse autoriteiten, dat de vreemdeling op 11 december 2013 telefonisch te kennen heeft gegeven dat hij hoger beroep wenste in te stellen, en dat dit bericht de gemachtigde, die een eenmanskantoor heeft, vanwege verplichtingen elders pas op 12 december 2013 heeft bereikt, aangezien de gevolgen hiervan voor risico van de vreemdeling komen.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Können
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2014
301-804.