ECLI:NL:RVS:2014:1559
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inreisverbod wegens familieleven en medische situatie
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 15 mei 2013 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat onvoldoende rekening was gehouden met het familieleven en de medische situatie van de vreemdeling. Tijdens het ambtelijk gehoor wees de vreemdeling op zijn familie in Nederland die voor hem zorgt en op zijn medische situatie. De staatssecretaris stelde dat het familieleven ook in het land van herkomst of elders kan worden uitgeoefend en dat er mogelijkheden zijn om een aanvraag in te dienen voor verblijf of opschorting van het inreisverbod.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris voldoende rekening had gehouden met de omstandigheden van de vreemdeling en dat de rechtbank dit ten onrechte niet had erkend. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.