ECLI:NL:RVS:2014:1558
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 had toegepast, omdat de aanvraag buiten de gestelde termijn was ingediend. Vervolgens werd het besluit van 12 november 2012 getoetst aan de beroepsgronden.
De vreemdeling voerde onder meer aan dat de toestemming van zijn vader voor vertrek ontbrak, dat de familierechtelijke band met de referente bestond ondanks afwijkende geboortedata, en dat het besluit in strijd was met het EVRM, het Handvest en het IVRK. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht had geoordeeld dat de toestemming niet was aangetoond en dat de familierechtelijke relatie niet was bewezen met gelegaliseerde documenten. Ook was de feitelijke gezinsband als verbroken te beschouwen gezien het langdurige contactgebrek.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.