ECLI:NL:RVS:2014:1334

Raad van State

Datum uitspraak
16 april 2014
Publicatiedatum
16 april 2014
Zaaknummer
201306725/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen verkoop gemeentegrond en uitblijven besluit

Appellanten hadden bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op hun bezwaar tegen de verkoop van gemeentegrond door het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel. De rechtbank had het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond.

Appellanten stelden dat het college niet tijdig had beslist en dat de verkoop van gemeentegrond een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was. De rechtbank oordeelde dat de verkoop een privaatrechtelijke handeling betrof en dat bezwaar en beroep op grond van de Awb niet openstonden.

De Raad van State bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Ook het betoog dat de verkoop strijdig was met het bestemmingsplan en een omgevingsvergunning vereiste, faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201306725/1/A1.
Datum uitspraak: 16 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Ouder-Amstel,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2013 in zaak nr. 12/3128 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel.
Procesverloop
[appellanten] hebben bij brief van 23 juni 2012 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het door hen gemaakte bezwaar.
Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het college het door [appellanten] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellanten] ingestelde beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 23 juli 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2014, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door J. Bijleveld en B. Verrijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende] ter zitting gehoord.
Overwegingen
1. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift van 25 maart 2012 een besluit op bezwaar had dienen te nemen. Op het moment dat zij het college bij brief van 4 juni 2012 in gebreke hebben gesteld, was, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de termijn om te beslissen op het bezwaar reeds verstreken. Nu het college niet binnen een termijn van twee weken na de ingebrekestelling een besluit op bezwaar heeft genomen, had de rechtbank hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk en gegrond moeten verklaren, aldus [appellanten].
1.1. De rechtbank is er in de aangevallen uitspraak van uitgegaan dat [appellanten] op 23 april 2012 bezwaar hebben gemaakt. Zij heeft overwogen dat het college uiterlijk op 27 juni 2012 een besluit diende te nemen op dat bezwaar. Volgens de rechtbank hebben [appellanten] het college bij brief van 4 juni 2012 prematuur in gebreke gesteld. Gezien artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit pas worden ingediend, indien het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat aan deze voorwaarde niet is voldaan en heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Nu het college bij besluit van 23 juli 2012 alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen, kan in het midden blijven of [appellanten] kunnen worden gevolgd in hun stelling dat zij reeds op 25 maart 2012 bezwaar hebben gemaakt en het college niet tijdig op dat bezwaar heeft beslist. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat zij nog belang hebben bij een uitspraak op het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Zoals zij ter zitting hebben aangevoerd, is hun belang er slechts in gelegen een oordeel te krijgen over de handelswijze van het college met betrekking tot de verkoop van gemeentegrond. Het betoog van [appellanten] kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de voorgestelde verkoop van grond door het college aan [belanghebbende] geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zij voeren daartoe aan dat het college niet zorgvuldig heeft gehandeld omdat het onvoldoende informatie over de verkoop heeft verstrekt en niet heeft gehandeld overeenkomstig het besluit van de raad van 26 juni 2008.
2.1. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft de raad van de gemeente ingestemd met de 'Voorwaarden voor verkoop van woninggroen'. Dit houdt in dat gemeentegrond daar waar mogelijk zal worden verkocht, waardoor het gemeentelijk groen beheersbaar blijft.
Bij brief van 9 december 2011 heeft het college [belanghebbende] een voorstel gedaan voor het kopen van woninggroen grenzend aan zijn perceel. [belanghebbende] is op dit voorstel ingegaan.
2.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verkoop van gemeentegrond een privaatrechtelijk karakter heeft. De brief van 9 december 2011 is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De mogelijkheden van bezwaar en beroep als opgenomen in de Awb staan daartegen niet open, zodat het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat het college, zoals [appellanten] stellen, onzorgvuldig heeft gehandeld, maakt dat niet anders. Voor zover [appellanten] stellen dat de verkoop van de grond gepaard had moeten gaan met het verlenen van een omgevingsvergunning, omdat sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, en, nu deze vergunning is geweigerd, sprake is van een besluit, faalt dit. De verkoop van grond kan niet worden aangemerkt als met het bestemmingsplan strijdig gebruik.
Het betoog faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena w.g. Pieters
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014
473.