ECLI:NL:RVS:2014:1279
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij machtiging voorlopig verblijf
De vreemdeling had bij de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke op 18 maart 2013 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 19 mei 2013 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die dit op 10 januari 2014 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State beoordeelde of het hogerberoepschrift tijdig was ingediend. De wettelijke termijn voor het indienen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van het vonnis, welke op 10 januari 2014 plaatsvond. De vreemdeling diende het hogerberoepschrift echter pas op 20 februari 2014 in, wat buiten de termijn viel.
De vreemdeling voerde aan dat de uitspraak van de rechtbank pas op 1 februari 2014 bij haar gemachtigde in Suriname was aangekomen en dat het hogerberoepschrift op 3 februari 2014 per aangetekende post was verzonden, maar vermoedelijk vertraging had opgelopen in het postverkeer. De Raad van State oordeelde dat de vertraging in het postverkeer voor risico van de vreemdeling komt, zeker gezien de lange periode tussen verzending en ontvangst van de uitspraak en het bestaan van snellere verzendmogelijkheden.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het hogerberoepschrift.