ECLI:NL:RVS:2014:1197
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsvergunning regulier ondanks gezinsleven met EU-burger
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 19 oktober 2010 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister, verklaarde de rechtbank op 7 augustus 2012 het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of de weigering van verblijf van de vreemdeling het effectieve genot van de rechten van haar kind, een Nederlandse burger en dus EU-burger, zou belemmeren. De staatssecretaris stelde dat de vader in Nederland de zorg voor het kind kan dragen, waardoor het kind niet afhankelijk is van de vreemdeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende was ingegaan op het feit dat de vreemdeling het eenhoofdig gezag heeft en het kind bij haar woont sinds de geboorte. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk had gemotiveerd dat het kind niet zodanig afhankelijk is dat het met de vreemdeling het grondgebied van de Unie moet verlaten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en tot betaling van griffierecht. Deze uitspraak bevestigt de bescherming van het gezinsleven van EU-burgers met vreemdelingen binnen het kader van artikel 20 VWEU Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.