ECLI:NL:RVS:2014:116
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen afwijzing verzoek uitzetting achterwege te laten
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van een vreemdeling tegen een afwijzend besluit op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 gegrond had verklaard.
De minister had op 7 maart 2012 het verzoek van de vreemdeling om uitzetting achterwege te laten afgewezen en het bezwaar daarop op 7 mei 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat onvoldoende was onderzocht of het advies van het Bureau Medische Advisering zorgvuldig tot stand was gekomen. De Afdeling oordeelde dat het BMA-advies terecht als grondslag was gebruikt, mede omdat het advies was gebaseerd op medische informatie van de behandelend arts en de vreemdeling geen wijziging van haar medische situatie had aangetoond.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het horen van de vreemdeling in bezwaar niet verplicht was, omdat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek tot uitzetting achterwege te laten blijft in stand.