ECLI:NL:RVS:2014:1104

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
201401238/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:24 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken naam indiener in beroepschrift vreemdelingenbewaring

De vreemdeling is bij besluit van 23 december 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 februari 2014 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.

De Afdeling stelde vast dat het beroepschrift niet voldeed aan de vereiste van artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet de naam van de indiener bevatte. Uit het proces-verbaal bleek dat de vreemdeling in het beroepschrift zijn voornaam gebruikte in plaats van zijn volledige naam. Ondanks een aangetekend schrijven waarin hij in de gelegenheid werd gesteld dit te herstellen, bleef de vreemdeling in gebreke.

Op grond van artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat verwijst naar artikel 6:6 van Pro de Awb, verklaarde de Afdeling het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van H.G. Lubberdink.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de naam van de indiener in het beroepschrift.

Uitspraak

201401238/1/V3.
Datum uitspraak: 17 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 februari 2014 in zaak nr. 14/1510 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 februari 2014 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
De vreemdeling heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover thans van belang, dient een beroepschrift de naam van de indiener te bevatten.
Ingevolge artikel 6:6, voor zover thans van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen.
Ingevolge artikel 6:24 van Pro deze wet, voor zover thans van belang, is de afdeling waartoe artikel 6:5 behoort Pro, van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.
Ingevolge artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, is, voor zover thans van belang, artikel 6:6 van Pro de Awb van toepassing, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
2. De vreemdeling moet worden aangemerkt als de indiener van het hogerberoepschrift in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dat geschrift moet derhalve ingevolge die bepaling de naam van de indiener bevatten. Nu uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de door de vreemdeling in hoger beroep gevoerde naam zijn voornaam is, is aan dat vereiste niet voldaan.
3. Nu de vreemdeling, hoewel hij daartoe bij aangetekend schrijven van 28 februari 2014 in de gelegenheid is gesteld, in gebreke is gebleven dit verzuim te herstellen, dient het hoger beroep gelet op voormeld artikel 85, derde lid, kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Vonk
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2014
345-777.