ECLI:NL:RVS:2014:1100

Raad van State

Datum uitspraak
19 maart 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
201401484/1/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 84 Vreemdelingenwet 2000Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toegangsweigering en onbevoegdheid inzake vrijheidsbeperkende maatregel vreemdeling

Bij besluiten van 1 februari 2014 werd aan de vreemdeling de toegang geweigerd en werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die deze beroepen ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding. De Afdeling oordeelde dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken over vrijheidsbeperkende maatregelen en schadevergoeding, waardoor zij zich onbevoegd verklaarde om het hoger beroep in zoverre te behandelen.

Voor het overige oordeelde de Afdeling dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde zij het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de toegangsweigering. Er werd geen aanleiding gezien tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd voor het hoger beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel en bevestigt het vonnis van de rechtbank inzake toegangsweigering.

Uitspraak

201401484/1/V4.
Datum uitspraak: 19 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2014 in zaak nrs. 14/2586 en 14/3430 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 1 februari 2014 is de vreemdeling de toegang geweigerd en is aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij mondelinge uitspraak van 12 februari 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats.
Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a en d, voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 8:104, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit op grond van artikel 6, eerste lid, en over de toekenning van schadevergoeding, bedoeld in artikel 106.
1.1. Voor zover de aangevallen uitspraak betrekking heeft op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 onderscheidenlijk het toekennen van een vergoeding als bedoeld in artikel 106, eerste lid, van deze wet, staat hiertegen, anders dan de rechtbank in de rechtsmiddelenclausule onder de uitspraak heeft vermeld, gelet op voormeld artikel 84, aanhef en onder a en d, geen hoger beroep open.
2. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om in zoverre van het hoger beroep kennis te nemen.
3. Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is in zoverre kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover dit is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2014 in zaak nr. 14/2586, betreffende de vrijheidsbeperkende maatregel;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2014 in zaak nr. 14/3430, betreffende de toegangsweigering.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Van Dijken
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014
595.