ECLI:NL:RVS:2014:1094

Raad van State

Datum uitspraak
21 maart 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
201308571/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 20 VWEUArt. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing wijziging beperking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De vreemdeling verzocht om wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, maar dit verzoek werd op 12 juli 2012 door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel afgewezen. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond en wees de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling af. De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.

In het hoger beroep stelde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte niet was ingegaan op haar beroep op artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Ruiz Zambrano van het Hof van Justitie. Zij voerde aan dat haar partner, van Nederlandse nationaliteit en lijdend aan een spierziekte, niet voor hun minderjarig kind kan zorgen, waardoor het kind feitelijk met haar het grondgebied van de EU zou moeten verlaten.

De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat haar partner daadwerkelijk niet in staat is om, al dan niet met hulp, voor het kind te zorgen. Hierdoor is verblijf van het kind bij de partner niet onmogelijk en is het beroep op artikel 20 VWEU Pro niet gegrond. Verder werden geen andere gronden gevonden die vernietiging van de uitspraak rechtvaardigen.

Het hoger beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, zij het met verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de afwijzing van de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

201308571/1/V1.
Datum uitspraak: 21 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2013 in zaken nrs. 12/37247 en 13/8570 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 13 maart 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. De vreemdeling klaagt in de grieven dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op haar beroep op artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (www.curia.europa.eu).
2.1. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan gelet op het volgende niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. In het kader van haar beroep op voormeld artikel 20 van Pro het VWEU heeft de vreemdeling aangevoerd dat haar partner van Nederlandse nationaliteit (hierna: haar partner) niet voor hun minderjarig kind van Nederlandse nationaliteit (hierna: het kind) kan zorgen. Ter staving daarvan heeft de vreemdeling een brief van de huisarts van haar partner overgelegd waarin is vermeld dat haar partner vanaf zijn geboorte aan de spierziekte FSHD lijdt. Reeds nu uit de brief van de huisarts niet blijkt of de spierziekte van haar partner hem belemmert bij de verzorging van het kind, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar partner feitelijk niet in staat is, al dan niet met behulp van derden, zonder haar hulp de zorg voor het kind te dragen, zodat verblijf voor het kind bij haar partner in wezen onmogelijk is en het kind feitelijk wordt verplicht met haar het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie te verlaten.
3. Hetgeen de vreemdeling voor het overige in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Spoel w.g. De Groot
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2014
412-762.