ECLI:NL:RVS:2014:1054
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 5 december 2011 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris op 28 juni 2013 opnieuw de aanvraag afwees.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze tweede afwijzing. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de aangevoerde gronden, waaronder de vermeende strijdigheid van de Vreemdelingencirculaire met een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onvoldoende waren onderbouwd. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris de beoordeling omtrent de verwestersing van de vreemdeling op redelijke gronden heeft gemaakt.
Verder werd vastgesteld dat de staatssecretaris de vreemdeling voldoende gelegenheid heeft geboden om zijn zienswijze schriftelijk naar voren te brengen, en dat het beroep op beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, niet tot vernietiging van het besluit leiden. Ook het beroep op uitzonderlijke situatie in Mogadishu en de vertraging in de aanvraagprocedure faalden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 28 juni 2013 werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.