ECLI:NL:RVS:2014:1016
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete van €8.000 wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een niet rechtmatig verblijvende vreemdeling arbeid verrichtte zonder vergunning. Appellant betwistte de hoogte van de boete en verzocht om matiging, stellende dat de werkzaamheden eenmalig, kortdurend en zonder financieel voordeel waren verricht en dat zij financieel niet in staat was de boete te voldoen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister bij het opleggen van de boete rekening dient te houden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden, maar dat het boeterapport geen aanwijzingen gaf dat de arbeid gering of tijdelijk was. Ook het ontbreken van financieel voordeel en het karakter van de werkzaamheden als sollicitatie waren niet relevant voor matiging.
Verder was appellant niet eerder beboet en was de financiële situatie onvoldoende om te concluderen dat de boete onevenredig was. De betalingsregeling beïnvloedde de toetsing niet. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De boete van €8.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd zonder matiging.