ECLI:NL:RVS:2013:CA0628
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- N.S.J. Koeman
- G. Snijders
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en verlening ligplaatsvergunningen woonboten in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok in 2010 definitieve ligplaatsvergunningen in voor woonboten aan het Oostelijk Havengebied en verleende tijdelijke ligplaatsvergunningen elders vanwege ruimtelijke ontwikkelingen en sloopwerkzaamheden. De bewoners stelden dat de nieuwe ligplaatsen niet gelijkwaardig waren aan de oude en voerden strijdigheid met het Bever-protocol aan.
De rechtbank oordeelde dat het college het Bever-protocol onjuist toepaste omdat tijdelijke ligplaatsen niet als gelijkwaardig aan de oude ligplaatsen konden worden beschouwd. Het college ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat voor tijdelijke verplaatsingen minder strenge eisen gelden.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat het Bever-protocol tijdelijke ligplaatsen toestaat, maar oordeelde dat het college ten onrechte de vergunningen introk zonder dat de definitieve ligplaatsen voldoende waren vastgesteld, waardoor rechtszekerheid ontbrak. Het college verleende later definitieve ligplaatsen aan de Oostenburgerkade, die volgens de Afdeling redelijk gelijkwaardig zijn, ondanks bezwaren van bewoners over ligging, bereikbaarheid en woongenot.
Het hoger beroep tegen het besluit tot verlening van deze definitieve ligplaatsen werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toepassing van het Bever-protocol en het waarborgen van rechtszekerheid bij verplaatsing van woonboten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.