ECLI:NL:RVS:2013:CA0596

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201204386/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:15 AwbArt. 55 Wet op de Raad van StateArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling bevoegdheid rechtbank inzake beroep tegen inreisverbod en afwijzing verblijfsvergunning asiel

De minister heeft op 28 maart 2012 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten bij de voorzieningenrechter, die zich onbevoegd verklaarde ten aanzien van het beroep tegen het inreisverbod en het beroep verder ongegrond verklaarde.

Zowel de vreemdeling als de minister gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling geen aanleiding gaf tot vernietiging van de uitspraak, maar dat het hoger beroep van de minister gegrond was omdat de voorzieningenrechter ten onrechte het beroep tegen het inreisverbod niet in behandeling had genomen.

De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaarde en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor behandeling en beslissing over het beroep tegen het inreisverbod. Tevens stelde de Afdeling de proceskosten van de vreemdeling vast en bepaalde dat de rechtbank hierover beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, dat van de minister gegrond, en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor behandeling van het beroep tegen het inreisverbod.

Uitspraak

201204386/1/V2.
Datum uitspraak: 13 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
2. [de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 april 2012 in zaak nrs. 12/10556 en 12/10558 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 april 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, zich onbevoegd verklaard van het tegen het inreisverbod ingestelde beroep kennis te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.
In het hoger beroep van de vreemdeling
3. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
5. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de voorzieningenrechter het tegen het inreisverbod gerichte beroepschrift van de vreemdeling ten onrechte krachtens artikel 6:15, tweede lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift aan hem heeft doorgezonden.
5.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 31 augustus 2012 in zaak nr. 201202699/1/V2) beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak volgt dat de grief slaagt.
6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter zich daarin onbevoegd heeft verklaard om van het beroep tegen het inreisverbod kennis te nemen. De Afdeling zal de zaak in zoverre met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 april 2012 in zaak nr. 12/10556, voor zover de voorzieningenrechter zich hierin onbevoegd heeft verklaard om van het beroep tegen het inreisverbod van 28 maart 2012 kennis te nemen;
IV. wijst de zaak in zoverre naar de rechtbank terug;
V. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, ambtenaar van staat.
w.g. Steendijk w.g. Ahmady-Pikart
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2013
638