ECLI:NL:RVS:2013:CA0122
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking van horecavergunningen op grond van de Wet bibob bevestigd in voorlopige voorziening
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft op 25 augustus 2012 de op grond van de Drank- en Horecawet en de Horecaverordening Utrecht 2004 verleende vergunningen aan [bedrijf] ingetrokken. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit van 21 januari 2013 en de rechtbank heeft het daarop ingestelde beroep van [bedrijf] ongegrond verklaard.
[bedrijf] heeft vervolgens bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om haar bedrijfsvoering tijdens het hoger beroep voort te kunnen zetten. Zij stelde onder meer dat het samenwerkingsverband met andere belanghebbenden beperkt was tot een overeenkomst over kansspelautomaten en dat de intrekking onevenredig was.
De voorzitter oordeelde dat het college en de burgemeester op basis van een advies van het Bureau bibob terecht ernstig gevaar aannamen dat de vergunningen zouden worden gebruikt voor het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen en het plegen van strafbare feiten. Het bevoegdheidsgebrek bij het besluit was te herstellen en er waren onvoldoende aanwijzingen dat het advies van Bureau bibob onzorgvuldig was of dat de feiten de conclusie niet konden dragen.
De voorzitter wees het verzoek af, omdat onvoldoende grond bestond om te veronderstellen dat de intrekking ten onrechte was en het aan het college en de burgemeester was om te bepalen of [bedrijf] haar bedrijfsvoering tijdens het hoger beroep mocht voortzetten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de horecavergunningen wordt afgewezen.