ECLI:NL:RVS:2013:BZ9075
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning
De minister legde aan [appellante] een boete van €8.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte. [Appellante] maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde [appellante] dat zij niet in strijd met de doelstellingen van de Wav had gehandeld, onder meer omdat de vreemdeling rechtmatig in Nederland verbleef en de werkzaamheden identiek waren aan eerdere werkzaamheden waarvoor wel een vergunning was afgegeven. Ook stelde zij dat het ontbreken van de vergunning slechts een korte periode betrof door een intrekking van de aanvraag.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het verbod van artikel 2 Wav Pro duidelijk is en dat de minister bevoegd was de boete op te leggen. De omstandigheden maakten niet dat de boete matiging rechtvaardigde, mede omdat de vreemdeling ruim een jaar zonder vergunning werkte en [appellante] wist dat geen vergunning zou worden verleend. De boete werd daarom bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De boete van €8.000,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.