ECLI:NL:RVS:2013:BZ9073
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op matiging
De minister legde [bedrijf] een boete van €16.000 op wegens het laten werken van vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, welke na bezwaar werd gematigd tot €8.000. De rechtbank verklaarde het beroep van [bedrijf] ongegrond. In hoger beroep betoogde [appellant] onder meer dat hij geen werkgever was, dat de boete onterecht was ingevorderd vóór rechterlijke toets, en dat de boete verder gematigd had moeten worden vanwege de korte duur, familieband en het ontbreken van financieel voordeel.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat sprake was van arbeid in de zin van de Wav en dat [bedrijf] als werkgever kon worden aangemerkt. Het verzoek om een getuige te horen werd afgewezen omdat dit geen wezenlijke bijdrage leverde. De invordering van de boete vóór rechterlijke toetsing schond de onschuldpresumptie niet, omdat schorsing mogelijk was.
De Raad van State bevestigde dat de minister de boete passend had gematigd met 50% en dat geen aanleiding bestond voor verdere matiging. De werkzaamheden behoorden tot de bedrijfsvoering en waren niet van privékarakter. Ook was onvoldoende gebleken dat de boete onevenredig was gezien de financiële situatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €8.000 wordt bevestigd.