ECLI:NL:RVS:2013:BZ8736
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inreisverbod wegens ontbreken terugkeerbesluit
De vreemdeling kreeg bij besluit van 5 april 2012 de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en werd een inreisverbod opgelegd. Dit besluit vermeldde echter niet dat haar verblijf illegaal was of illegaal werd verklaard, waardoor het niet als een terugkeerbesluit in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en de Terugkeerrichtlijn kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat het ontbreken van een terugkeerbesluit betekent dat het inreisverbod niet rechtsgeldig kon worden uitgevaardigd. Hierdoor was het besluit onrechtmatig.
De Raad van State vernietigde het besluit van 5 april 2012 en de uitspraak van de rechtbank. Tevens kende de Raad een vergoeding toe van €455 voor de acht dagen dat de vreemdeling onterecht in vreemdelingenbewaring had gezeten, en vergoedde zij de proceskosten van €1.416 voor de door een derde verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het besluit tot uitvaardiging van het inreisverbod wordt vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.