ECLI:NL:RVS:2013:BZ8734

Raad van State

Datum uitspraak
9 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201200310/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
  • S. Yildiz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en niet-ontvankelijkheid hoger beroep vreemdeling

Bij besluiten van 1 april 2011 heeft de minister de aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde de daarop ingestelde beroepen ongegrond. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep van vreemdeling 1 kennelijk ongegrond is omdat het geen vragen oproept die rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin vereisen. Vreemdeling 2 is op 27 juni 2012 vrijwillig vertrokken naar haar land van herkomst, Armenië, waardoor zij geen belang meer heeft bij haar hoger beroep. Daarom wordt dit hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van vreemdeling 1 af, terwijl het hoger beroep van vreemdeling 2 niet-ontvankelijk wordt verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep van vreemdeling 1 afgewezen en hoger beroep van vreemdeling 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijwillig vertrek.

Uitspraak

201200310/1/V2.
Datum uitspraak: 9 april 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (tezamen hierna: de vreemdelingen),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 9 december 2011 in zaken nrs. 11/13956 en 11/13957 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 1 april 2011 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 9 december 2011 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In de zaak van vreemdeling 1
1. Hetgeen in het hogerberoepschrift door vreemdeling 1 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door vreemdeling 1, is kennelijk ongegrond.
In de zaak van vreemdeling 2
3. Uit de door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie overgelegde, door vreemdeling 2 ondertekende vertrekverklaring blijkt dat zij op 27 juni 2012 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar haar land van herkomst, Armenië. Nu vreemdeling 2 vrijwillig is vertrokken naar haar land van herkomst, stelt zij kennelijk geen prijs meer op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Aldus heeft vreemdeling 2 geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep.
4. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door vreemdeling 2, is kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door vreemdeling 2, niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.
w.g. Van Eck w.g. Yildiz
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013
594.